De omgeving stemt me droevig. Slecht onderhouden flats. Lege verpakkingen in de goot. Voortuintjes en balkons doen dienst als opslag. Het weinige groen dat hier overleeft, is het onkruid tussen de stoeptegels. Basisschool de Schakel is een kleurrijk lichtpunt in deze grauwe omgeving.

Als P en ik arriveren, benutten de kinderen ieder hoekje van de grote speelplaats met de knalgele glijbaan tegen de groene helling. Het geluid dat daarbij hoort, is oorverdovend en fantastisch. De ruime hal van de school waar P en ik even later binnen stappen, is gezellig aangekleed met kunst- en schrijfwerken van de kinderen en foto’s van de leraren ‘toen ze nog klein waren’. Een oase van rust.

P en ik ploffen er met een kop koffie op een van de kinderstoeltjes. P gaat in groep 7 vertellen over fotografie, ik in groep 8 over schrijven. Juffrouw M van IMC Basis is verantwoordelijk voor onze gastlessen. Ze legt uit dat de ‘klassenmanagers’ ons zo komen ophalen. We hebben geen idee wat ons te wachten staat. Terwijl we nieuwsgierig om ons heen kijken, stormt een jongen van een jaar of 9 langs onze tafel. “Sorry dat ik ren, maar ik moet opschieten!”

Twee verlegen kinderen stappen aarzelend de hal binnen. Schoorvoetend steken ze hun hoofd om de hoek van de lerarenkamer. Daar zit niemand. Ze lopen een deur verder en vragen aan een medewerker van de school wat ze moeten doen. Ze hebben ons al lang gezien, maar durven ons niet aan te spreken. Na wat aanmoediging van de medewerker vraagt de jongen met neergeslagen ogen of we misschien koffie willen. “Super lief, maar we hebben allebei net een volle mok”, zeg ik. Het meisje heeft nog steeds niets gezegd, maar loopt wel voorop naar de klas. Ik hobbel achter haar aan (ik heb een beetje een pinguïnloopje na mijn kuitbeenbreuk in augustus).

Vrolijk stap ik de klas binnen. 27 paar ogen kijken me verwachtingsvol aan. De leerlingen hebben een actievere houding dan de hbo-studenten waaraan ik in januari een gastles gaf. Kort vertel ik over mijn werk. “Willen jullie mij wat vragen?” Vingers gaan meteen de lucht in. Wat ik verdien. Hoeveel uur ik per week werk. Of ik geen pijn in mijn handen krijg als ik de hele dag moet schrijven. Welk opleidingsniveau nodig is om schrijver te worden. Ze stellen goede vragen. Ongepolijst en netjes tegelijk. Ze zeggen juffrouw tegen me. En u.

Ik leg uit wat de verschillen zijn tussen een tekstschrijver en een journalist en doe dat ongeveer zo: “Een journalist gaat op zoek naar nieuws. Een tekstschrijver moet vaak helpen om iets te verkopen. Dus dan schrijf ik vooral wat er allemaal goed is aan een product, of wat er zo leuk is aan een bepaald evenement. Ik lieg niet, maar dingen die niet zo goed zijn, die verstop ik een beetje.”

Als opdracht laat ik de kinderen zichzelf verkopen. Aan het bedrijf waar ze graag willen werken, aan het pretpark waar ze graag met de klas heen willen, of aan wie dan ook die hun dromen kan laten uitkomen.

Groep 8 blaast me van mijn sokken. Op een positieve manier. Hoofdletters en leestekens zijn hun vrienden niet en ik bijt hard op mijn tong als ik ‘me’ zie staan in plaats van ‘mijn’, maar ze hebben prachtige dromen. Ze gaan er goed voor zitten om die aan het papier, de laptop of de desktop toe te vertrouwen. De meeste kinderen vinden het moeilijk om alleen maar positieve dingen over zichzelf te schrijven. Ze zijn hartverwarmend eerlijk. Zoals de jongen die schrijft dat hij ADHD heeft en wel eens agressief is. Of het meisje dat schrijft dat ze soms overkomt als een bad b**ch. Ik vertel haar dat ze een blog moet beginnen, zo leuk is haar stuk: ‘Waarom ik gratis naar de Efteling moet’.

Een meisje schrijft dat ze als turnster naar de Olympische Spelen wil en somt een hele reeks prijzen op die ze al heeft gewonnen. Zijdelings vernoemt ze dat haar BFF niet mee ging toen ze van turnclub wisselde. Een jongen schrijft een brief aan de bioscoop (“Lieve bioscoop”), waarom ze gratis met de hele klas naar de film moeten. “We zijn een heel gezellige klas en we maken nooit ruzie.” Een jongen die met de klas naar Toverland wil, schrijft in zijn brief dat er twee meisjes in de klas zitten die nog geen 1.40 m lang zijn en dus niet overal in mogen.

De meeste jongens schrijven aan een voetbalclub. Veel meisjes willen dierenarts worden. Een van de jongens vraagt om een baan als dakdekker. Een andere jongen wil wel gaan afwassen en bedienen in het Griekse restaurant waar hij vaak komt.

Het verhaal van één van de meiden raakt me. Hard. Ik moet slikken voor ik kan reageren op het stuk tekst dat meester T van haar voorleest. “Al sinds ik 8 was, is de middelbare school mijn droom. Ik ben blijven zitten in groep 6 maar ik doe heel hard mijn best om nu Mavo nivo te halen.”

Ze schreef nog veel meer. Wat haar kwaliteiten zijn. Waarom ze naar die ene middelbare school wil. Dat ze hoopt dat haar vriendinnen daar ook naartoe gaan. Ze verlangt naar een eigen kluisje en naar lopen door de gangen, op weg naar een ander lokaal. Ik wil haar knuffelen. Maar het enige dat ik kan doen is haar een compliment geven. Daarna schrijft ze verder, want ze heeft nog veel meer toe te voegen. Als ze klaar is, steekt ze haar vinger op. Ze kijkt niet achterom waar de meester staat. Ze zit doodstil. Geduldig. Rechtop. Als ik naar haar tafel loop, vraagt ze wat ze mag doen als ze klaar is. De rest van de klas is ondertussen al een tijdje met andere dingen bezig.

Meester T weet alle aandacht weer te vangen en sluit de les af. Hij vraagt aan de leerlingen aan wie ze complimenten willen geven. “De juffrouw, want ze heeft goed les gegeven”, zegt een jongen terwijl hij me met een brede grijns aankijkt. De consensus is dat iedereen een compliment verdient, want ze hebben allemaal hun best gedaan. Ze mogen trots op zichzelf zijn, bevestigt de meester.

Iets minder verlegen dan toen ze me moesten komen halen, lopen de klassenmanagers naar voren om me een paar snoepjes en een kaartje te geven.  “bedankt dat u er was namens groep 8”

Het geluid van klappende kinderen begeleidt me naar de uitgang.

 

Ik heb in deze blog de teksten van de kinderen letterlijk overgenomen.